home

Kiezen voor een ICSI-behandeling : risico’s van de behandeling

Als u niet zwanger bent geworden na een ivf-behandeling of als de zaadcellen minder vruchtbaar zijn, kunt u een ICSI-behandeling krijgen. Kiezen voor een ICSI-behandeling kan moeilijk zijn. Er zijn voordelen en nadelen aan een ICSI-behandeling. De arts kan u helpen met het maken van een keuze.

Over de ICSI-behandeling

U kunt om verschillende redenen een ICSI-behandeling krijgen. Vaak krijgt u een ICSI- behandeling als de zaadcellen minder vruchtbaar zijn of als u niet zwanger bent geworden na een ivf-behandeling.
Een ICSI-behandeling lijkt veel op een ivf-behandeling. Bij een ivf-behandeling brengt de embryoloog meerdere zaadcellen in de buurt van de eicel. Een embryoloog werkt in een laboratorium. Bij een ICSI-behandeling gebruikt de embryoloog maar 1 zaadcel per eicel.

Risico’s voor de vrouw bij een ICSI-behandeling

  • Tijdens de behandeling stimuleert de arts uw eierstokken door hormonen. Hierdoor heeft u een kans op het overstimulatiesyndroom. Bij het overstimulatiesyndroom worden uw eierstokken te groot. U kunt dan last krijgen van buikpijn, misselijkheid en u kunt zwaarder worden.
  • Door het opzuigen van de cellen heeft u kleine kans op een bloeding of infectie in de buik.
  • Het is nog niet duidelijk wat de risico’s van een ICSI-behandeling zijn na een lange tijd.
  • De hormonen die u gebruikt om de eierstokken te stimuleren zorgen ervoor dat u meer oestrogeen in uw lichaam krijgt. Als u oestrogeen lange tijd gebruikt, heeft u iets meer kans op borstkanker, baarmoederkanker en eierstokkanker. Het is niet duidelijk of u meer kans heeft op borstkanker, baarmoederkanker en eierstokkanker na een ICSI-behandeling.

Zwangerschap

De zwangerschap na een ICSI-behandeling gaat hetzelfde als bij andere zwangerschappen.
De kans op een miskraam na een ICSI-behandeling is hetzelfde als bij een ivf-behandeling: 8 tot 10 procent.
De eerste echo’s tijdens de zwangerschap krijgt u op de polikliniek Fertiliteit. Als het goed gaat met u en uw baby, kunt u de echo’s bij de huisarts of verloskundige krijgen.

Risico’s voor uw kind bij een ICSI-behandeling

Gevolgen nog niet bekend

  • Bij het bevruchten van de eicel prikt de embryoloog met een naald door de eicel. Hierdoor kan er een klein beetje laboratoriumvloeistof in de eicel komen. Het is nog niet duidelijk welke gevolgen dit heeft voor uw kind.
  • Niet alle zaadcellen zijn goed genoeg om een eicel te bevruchten. Bij een ICSI-behandeling kiest de embryoloog 1 zaadcel die er normaal uitziet. De embryoloog weet dan niet of de zaadcel goed is. Het is nog niet duidelijk welke gevolgen dit heeft voor uw kind. Er is wel een iets grotere kans op kleine afwijkingen dan bij andere kinderen. Bijvoorbeeld samengegroeide vingers of tenen.

Vroeggeboorte en langzame ontwikkeling

Bij een ICS-behandeling hebben uw kinderen een iets grotere kans om vroeg geboren te worden dan andere kinderen.
Bij een ICSI-behandeling is er ook een kleine kans dat uw kind te weinig weegt tijdens de geboorte en niet goed groeit.
Uw kinderen hebben ook een iets grotere kans om zich langzamer te ontwikkelen dan andere kinderen.   

Kans op genetische afwijking

Chromosomen dragen erfelijke informatie.
Elke cel in het lichaam heeft in totaal 46 chromosomen. Dit zijn 22 paar gewone chromosomen, dus 44 chromosomen. En dan nog 2 geslachtschromosomen.
Als er een fout in de 23 paar chromosomen zit, heeft uw kind een kleine kans op een genetische afwijking. Soms is het zelfs nodig om de zwangerschap te stoppen. De arts bespreekt met u wat de mogelijkheden zijn.
Als er een fout op het Y-chromosoom zit, dan heeft uw zoon deze fout ook. Dit heet Y-deletie. Vaak betekent dit dat uw zoon ook vruchtbaarheidsproblemen krijgt.

Onderzoek naar genetische afwijkingen

Voordat u start met een ICSI-behandeling, krijgt uw partner een chromosoomonderzoek en een onderzoek naar Y-deletie. Voor deze onderzoeken laat uw partner bloed prikken.
U krijgt de uitslag na 6 tot 12 weken. Als uw partner een fout op de chromosomen heeft, krijgt u een afspraak met een klinisch geneticus. De klinisch geneticus bespreekt met u de mogelijkheden.

Extra onderzoek tijdens de zwangerschap

Tijdens de zwangerschap kunt u extra onderzoeken doen om te kijken of uw kind genetische afwijkingen heeft. Als u ouder dan 36 jaar bent, dan heeft u meer kans op een kind met genetische afwijkingen. Als u jonger dan 36 jaar bent, dan is de kans op een kind met genetische afwijkingen erg klein.
Met een bloedonderzoek kijkt de arts of er een kans is op Downsyndroom, Edwardssyndroom of Patausyndroom. Dit onderzoek heet de NIPT-test.
Met een vruchtwaterpunctie of vlokkentest kunt u meer te weten komen over de kans op sommige afwijkingen. Een vruchtwaterpunctie of vlokkentest geeft niet altijd antwoorden op uw vragen. Uw arts bespreekt de mogelijkheden met u.

Contact

Heeft u na het lezen van deze informatie nog vragen? Stel uw vraag aan de polikliniek via MijnOLVG. Op werkdagen kunt u ook bellen.

Polikliniek VEVO, locatie Oost, P1
020 599 34 81 (op werkdagen van 08.15 tot 16.15 uur)

Polikliniek Fertiliteit, locatie West, route 22
020 510 86 14 (op werkdagen van 08.15 tot 16.15 uur)

De informatie op deze pagina is afkomstig van de afdeling Fertiliteit van OLVG. Laatst gewijzigd: